De lucht
die hij als lucht inademde
(zeiden zij)
ademde hij als gruis uit

‘s Nachts.

Wij sliepen daar slecht van
maar leefden goed zo, dankzij hem
en in het besef dat het lucht was
en werken gezond.

Wiel Oehlen

wijnandsrade

Wijnandsrade
Wie het Zuid-Limburgse dorpje Wijnandsrade een beetje kent, ziet een statig kasteel voor zich, dromerige vijvers, een schilderachtig kerkje, boerderijen, een plukje huizen en een enkele tractor die traag tegen een heuvelrug opkruipt. Wijnandsrade zal geen beelden oproepen van dichte rook, zwarte bergen; van mijnwerkers met gedeukte helmen en blauw geblokte handdoeken of van kolenboeren, die met hun karren vol ‘sjlam’, eierkolen en antraciet door de straten trekken.

Het boerenbedrijf en het landleven hebben in dit idyllische dorpje altijd centraal gestaan. Wijnandsrade en omringende gehuchten ademen ook nu nog vooral die sfeer. Toch is de mijntijd ook hier niet onopgemerkt voorbij gegaan. Niet vreemd bij de gedachte dat de oostelijke mijnstreek, weliswaar aan het zicht onttrokken – maar in feite toch amper op een steenworp afstand – in de eerste helft van de vorige eeuw heel erg dichtbij tot volle wasdom kwam.

Het uitzicht was in Wijnandsrade ook toen al vooral schilderachtig, maar het leven toch eerst en vooral meedogenloos hard. Uit broodnodige noodzaak heeft in die tijd een groot aantal dorpelingen het zware boerenleven moeten combineren met een slopende baan als ondergronds of bovengronds mijnwerker op een naburige mijn.

De eerste mijnwerkers (de gebroeders Prevo)
In 1949 maakt ‘Steenkool’, het personeelsblad van de gezamenlijke mijnen, melding van ‘de gebroeders Joep en Huub Prevo uit het Zuid-Limburgse dorpje Wijnandsrade’, die tot de eerste tien personeelsleden van de Laura uit Eygelshoven hebben behoord. Op 6 september 1900 traden beiden aldaar, op voorspraak van een oom, in dienst.

Aan die voorkeursbehandeling lag een wrange voorgeschiedenis ten grondslag. ‘Tijdens de grondwerkzaamheden voor het uitdiepen van de voorschacht van de mijn – dat gebeurde midden in het Eegelsjer veld, waar het ‘Op de Kom’ heette – speelde het zoontje van een zekere Gerard Borghans op een goede dag met de kipkarretjes. Het ventje verongelukte hierbij. De directeur van de mijn nam Borghans toen in dienst. Deze sprak goed Frans en hij kon als tolk dienen voor de arbeiders van de Belgische Firma die de stenen bakte voor de gebouwen van de mijn. Die Gerard Borghans was de oom van Joep, Huub en Harie Prevo. Hij haalde Joep en Huub in 1900 over in Eygelshoven te komen werken. De eerste was indertijd bij de boorfirma Racky in Erkelenz in dienst en Huub deed in Aken ‘aan van alles wat’. Voor achtentwintig groschen gingen zij sjichten draaien van minstens twaalf uur’. De mijn Laura stond rond 1900 nog in de kinderschoenen. Eygelshoven telde toen amper vijfhonderd inwoners. ‘De mannen werkten er in die tijd veelal in ‘de zandkoel’, op de spiegel-fabriek in Herzogenrath of ‘s zomers op de naburige steenfa¬brieken’. Het rustieke Eegelsjerveld is in de jaren nadien stelselmatig steeds verder door het explosief groeiende mijnwerkersstadje Kerkrade opgevreten. Waar tegen het einde van de negentiende eeuw nog maagdelijke velden en weilanden het zicht bepaalden, raast honderd jaar later onophoudelijk verkeer door de dichtbevolkte straten.

De gebroeders Prevo gingen in Eygelshoven werken en bij hun oom in de kost. Als manusjes van alles stonden zij mee aan de wieg van een bloeiend mijnbedrijf, waar zij zich in hun beginjaren vooral bezig hielden met ‘het uitdiepen van schachten, het oprichten van boortorens en het monteren van oplaadmachines. Het materiaal werd per spoor van Kerkrade-Rolduc naar Eygelshoven aangevoerd en vandaar met de paarden-tractie naar de mijn in aanleg getrokken’.

huubprevo        joepprevo

 

Joep Prevo werd de eerste ophaalmachinist van de mijn. ‘Bij het afdiepen van de bevriesschacht trok hij de eerste kiebel omhoog’, zo meldt ‘Steenkool’. Enkele jaren later, in 1904, werd ook zijn broer Huub op de Laura tot ophaalmachinist benoemd. Het personeelsblad ‘Steenkool’ maakt daarnaast nog in de marge melding van het feit dat in hetzelfde jaar de derde broer Prevo – Harie – op de Laura is komen werken.

Hub Habets (‘Hub va Fon’)
Menig dorpeling heeft het voorbeeld van de gebroeders Prevo gevolgd. Zo mogelijk dichter bij huis, op een van de naburige mijnen op het grondgebied van de gemeenten Heerlen en Hoensbroek. Een van hen was Hub Habets (12 februari 1914 – 09 oktober 1993).

In een opmerkelijk boekje, waarin Kees Jutte het boeiende leven van deze markante persoonlijkheid heeft vastgelegd, kijkt Hub Habets (onder andere) terug op zevenentwintig ondergrondse jaren, die voor hem begonnen op de Oranje Nassau III in het naburige Heerlerheide: ‘Wie dèe deenstiëg d’r op zoot, doe kreeg ich werk op de Oranje III, dat hub ich gezag. Mè dat woar in die crisisjoare zoene sjlechte tiëd….. Ich hub doa mit pèed gevare zelfs, ongergrond. Doe woare doa nog èe paar pèed. Verder bin ich inne tiëd aan de sjach geweè en doe hub ich die èen willekeurig verzuim gemakt, op dèe vasteloavends-moandig. Doe woëd ich ontsjlage. Mè, dat bliëk pas achteraaf. Doe zou dèe deenstiëd doerlope ….., Noa den oerlog doe kreeg ich bericht van ’t AMF: ‘Wegens willekeurig verzuim’ ontsjlage. Dat ontsjlag op de Oranje Nassau III, dat hub ich kriëge in 1937. Die wirkte doe mer vèer sjiechte, ‘t ’s moandigs en soaterdigs neet. ’t Is zelfs gewèe dat ze oach nog ’t sgoondigs neet wirkte. Mer doe moos zoeveul sjiechte make, ich mèen achtiën in der moand, vuur de verziëkering van ’t AMF in sjtand te houë, angesj woare vier oach nog neet verziëkert’ …..

Niet veel later is Hub Habets bij de Staatsmijn Emma in Hoensbroek aan de slag gegaan, alwaar hij vierentwintig jaar heeft gewerkt: ‘Vier wirkte doa op drie sjiechte, en doe kreegs doa, ich durf ’t neet mië juus zèkke, mer ich mèen veerentwintig, viefentwintig sjiecht-oere per daag. Vier woare doa mit inne maan of achtiën. Op nach-sjiech woëd dan geboord en ‘t ’s murgens op daagsjiech da woëd dat aafgesjoate. Èene tubing woar inne miëter twintig, es ich good mèn. Èene tubing is inne ring in dèe sjach, dèe hau èene diameter van zeven miëter fieftig. En es vier dan twië miëter feertig hauë, dan woërte twië tubings d’r in gezat, die woërte mit loëd toe-geklopt. Dèe sjach is àafgedeept en doa woar ’t zoe’ng graad of zeventiën, achtiën onger nul. En es’te dàan boave koamst ….., en in d’r zoëmerdaag da woar ’t boave twintig grade boave nul; mit ’t gevolg dat die luu allemoal Bronchitis hauë, wie d’r sjach vèedig woar’ …..

Vele mijnwerkers volgden
1950.
Een karrenspoor was in die tijd al een hele weg. Asfalt heette toen nog gewoon een pad, dat gemiddeld een keer per jaar met verse kiezel werd verhard. Op de fiets, vaak ook te voet zijn vele vaders en grootvaders jarenlang dag in, dag uit over die veldwegen op middag-, dag- of nacht’sjicht’ gegaan. Hun route voerde hen over het plaatselijke ‘koelpaad’, via Hellebroek en de Beemden naar de staatsmijn Emma in Hoensbroek of via Swier en de Brommelenberg naar de particuliere mijn Oranje Nassau III in Heerlerheide danwel de Oranje Nassau I nabij het Heerlense centrum.

on3

Het boerenbedrijf en het landleven hebben in Wijnandsrade altijd centraal gestaan, maar ”t wirke op de koel’ werd er in de mijntijd door veel inwoners noodgedwongen bijgedaan. In 1950 telde de toen nog zelfstandige gemeente Wijnandsrade negenhonderdenelf inwoners. Circa vijfentachtig daarvan, met andere woorden ongeveer tweeëndertig procent van de mannelijke beroepsbevolking, blijkt in die tijd op de mijn te hebben gewerkt.

mijnwerker

Vijftig jaar later.
Bij de driesprong ‘Hellebroekerweg – van Bongardstraat – Stephanusstraat’ waakt een statig beeld over de bebouwde kom van Wijnandsrade. Op een stenen voetstuk, waarin een reliëf is verwerkt, staat de heilige Barbara. In het reliëf zijn een boer, een paard en een ploeg, met daarboven een korenaar opgenomen. De heilige houdt een kelk in haar handen. Onder haar voeten is de afbeelding van een koeltoren aangebracht. De gekozen symbolen lijken in hun onderlinge samenhang de overgang van een agrarisch- naar een mijnwerkerstijdperk te symboliseren. Boven de kelk is een palmtak in het beeld verwerkt, als verwijzing naar haar martelaarschap.

De heilige Barbara
Volgens de meeste legenden die over de heilige Barbara zijn opgetekend, moet zij in de derde of in het begin van de vierde eeuw hebben geleefd. Onder andere Egypte, Rome, Toscane en Nicomedië worden genoemd als haar mogelijke woonoord. Zij was de dochter van een heiden en christenhater, die haar in een toren opsloot, toen hij in de gaten kreeg dat zij zich tot het christendom had bekeerd. Hij liet haar martelen en heeft haar uiteindelijk eigenhandig vermoord. Die moord heeft Dioscurus – zoals haar vader heette – volgens de overlevering ogenblikkelijk ook zelf met de dood moeten bekopen. Door de bliksem getroffen is hij abrupt aan zijn einde gekomen.

barbara

De heilige Barbara is wijd en zijd bekend en bemind; onder andere als de patrones van de gevangenen, architecten, artilleristen, steenhouwers, de brandweer en als de beschermvrouwe tegen het gevaar van de bliksem en van een plotselinge dood. In Limburg is zij vooral bekend als de schutspatrones van de mijnwerkers. De heilige Barbara werd in de volksmond ook wel ‘Sinterberb’ of ‘de maat van Sinterkloas’ genoemd. In het begin en het midden van de vorige eeuw werd op 4 december – de dag van haar naamfeest – ‘s avonds al op vele plaatsen gestrooid. Ondanks haar grote populariteit is zij in 1969 door de toenmalige paus Paulus VI van de heiligenkalender geschrapt. Maar haar beeltenis is ook nu nog in vele Limburgse dorpen en steden te zien, zoals sinds 1963 ook in Wijnandsrade.

Mislukte boringen
In de tweede helft van de negentiende en de eerste helft van de twintigste eeuw zijn de mijnbedrijven vrijwel constant in grote delen van de provincie Limburg naarstig naar nog meer steenkolen op zoek geweest. Zo ook in Wijnandsrade, dat in dat kader officieel volledig deel uitmaakte van het concessiegebied van de staatsmijnen. Op het grondgebied van Wijnandsrade hebben tussen 1875 en 1949 voor zover bekend negen diepe boringen plaatsgevonden. Een daarvan werd in 1922 nabij ‘In den Hoek’ (de benaming voor het gebied tussen de gehuchten Laar en Brommelen) doorgevoerd. Daarbij werd een diepte bereikt van zeshonderdachtennegentig meter, waarbij enkele steenkolenlagen werden doorboord. Een voor het nageslacht bewaard gebleven zeldzame foto toont de boortoren en de ploeg, die de klus in 1922 klaarde. De boorploeg stond onder leiding van Leo Steins uit Wijnandsrade (op de foto: de man met een kruisje boven zijn hoofd).

Voor de Eerste Wereldoorlog moeten de geruchten zo sterk zijn geweest dat ook Wijnandsrade wel eens een mijnwerkerszetel zou kunnen worden, dat een ondernemende dorpeling naar aanleiding daarvan in 1914 is begonnen met het bouwen van een café. In gedachten zal hij ongetwijfeld al hele volksstammen mijnwerkers met hun gevulde loonzakjes wekelijks hebben zien binnenstromen. Die mijnzetel is er nooit gekomen. Het café dus ook niet. De bouw van het pand aan de tegenwoordige Hellebroekerweg is wel gewoon afgerond. Uit het karakter van de voorgevel en uit de dichtgemetselde ramen in de rechterzijgevel kan nu nog voorzichtig worden afgeleid, dat de oorspronkelijke plannen verder gingen dan die van een gewoon woonhuis.

diepboren

Gelukkig maar. Geen enkele van de negen boringen, ook niet die tussen Laar en Brommelen, heeft daadwerkelijk tot exploitatie geleid. Het aantal kolenlagen bleek onder het grondgebied van Wijnandsrade niet lonend genoeg om tot de afbouw hiervan over te gaan. Het boerenbedrijf en het landleven bleken in dit idyllische kerkdorpje achteraf toch sterker. Wiel Oehlen

Jouw kolen
Ik weet niet, zwarte kameraad,
Hoe jij je wagens kolen wint.
Ik weet niet, ondergrondsche maat,
Hoe jij je weg benejen vindt.
Ik weet alleen, -en daar komt het op aan,
Jouw kolen vormen mijn bestaan.

Toen voor het eerst op de fabriek,
De ketel stoom ging maken.
Toen leek de stoomfluit op muziek,
Die schalde van de daken.
Jouw kolen hebben dat gedaan,
Jouw kolen vormen ons bestaan.

En als de schepen weer gaan varen,
Het roest weer van de pijpen gaat.
De schuit zijn kop zet in de baren.
Dan is dat jouw werk, kameraad.
De haven kan weer draaien gaan,
Jouw kolen vormen ons bestaan.

Ik heb als kerel soms gegriend,
Toen mijn kindren vergingen van kou.
Jij hebt aan mijn peuters de hemel verdiend,
En jij stal het hart van mijn vrouw.
Jouw kolen kommen nou weer aan,
Jouw kolen vormen ons bestaan.

Nou ik van jou lees in de krant,
Met al die nullen en die tonnen.
Nou weet ik, dat er in ons land
Aan onze toekomst is begonnen.
Jij laat ons niet ten onder gaan,
Jouw kolen vormen ons bestaan.

In godsnaam, kameraad, hou vol,
Zonder jouw ondergrondsche buit,
Zonder jouw diepgegraven hol,
Gaat hier de lamp voor eeuwig uit.
Jij, met je vreemde, zwarte baan,
Jouw kolen vormen ons bestaan.

Ik dank je, verre kameraad,
Die zweetend wagens kolen wint.
Ik dank je, zuidelijke maat,
Die staag zijn weg benejen vindt.
Jij, Ridder van de Zwarte Vaan,
Jij brengt ons weer een brok bestaan.

Jan van Amsterdam (1946)