Mijnarbeid bij nacht

 

 

Machtige legers van wolkige schimmen
Rijzen geheimzinnig boven nacht’lijke kimmen
En stijgen…. dan stormen in tomeloze jacht
Door de zilv’ren stilte van de lichtende nacht.

 

 

In maanlichte nachten
Boven diep’donkre schachten
Scheren witte wolken in ijl’hoge lucht
Langs ’t dak van de wereld zonder gerucht.

Zij jagen gedurig en staren en turen
In walmende schoorsteen en vlammende vuren
Met donzige koppen naar ’t Oosten gericht
Spelen ze’n spel van schaduw en licht.

 

 

Over dampende monden van mistige torens
Over grauw’zwarte bakken op blinkende sporen
Over kaal’naakte bergen van steen en van stort
Haastig en snel – want het leven is kort.

De blauw’zilveren stilte wordt eensklaps doorbroken
Met duizenden stemmen van juichende koren
Die zingen een zang, een nacht’lijk refrein
Van dat machtig lied aan d’Arbeid gewijd.

 

 

Hoort, hoe diep in den grond
Aan het kool’zwarte front
Het gedreun in den pijler
Doet kreunen en steunen de stijlen.

Daar raat’len de hamers, die drijven de boor
En kerven – al trillend – het glanzend carboon
Dat in schuddende goten, op zwiepende banden
In deinende treinen, door kundige handen.

 

 

Langs liftende schachten
Met Glück Auf! – naar omhoog wordt gebracht
Waar gulzig en smachtend
Begerig reeds wachten.

De lezende handen aan lopende banden
De trillende zeven, de dansende bakken
De hunk’rende bunkers in waat’rige wassen
De stampende persen, de persende walsen.

 

 

Het dof’ en droog’kloppen der luchtkompressoren
Beg’leiden het zoemen der transformatoren
Terwijl razende turbo’s – arsenalen van kracht –
Aan ’t Ganse schenken, Zijn Grootheid en Macht!

In maanlichte nachten
Boven hoog’ranke schachten
Went’len de wielen in scherpe contouren
En wiss’len regelmatig hun tellende toeren.

 

 

Zij went’len – al wikk’lend – in zoevende jacht
Demonstreren gelijk reuzen hun boeiende kracht
Zij rekken hun spieren, tot scheurens gespannen
En laten dan vieren, om beurten gebannen.

Die klimmen en dalen, die hijsen en halen
De loodzware lasten, in vierkante kasten
Uit aard’diepe korsten en tillen en torsen
De kostbare schatten, met geweldige kracht, in heldere nacht

 

 

De wielen zij wentelen gedurig gestadig
En wisselen al wikk’lend hun toeren regelmatig
En schrijven al cirk’lend in maanlichte nacht…..
De blijvende roem van ’n werkersgeslacht!

Gij zwarte diamant
Geslagen met mannenhand
Uit staalharde wand
Al kruipend en liggend
Al vloekend en biddend
God weet
Met tranen en zweet
En toch!….. de Glorie van m’n Zuid-Limburgs Land!

Jan Thelen