Een dierbare herinnering aan een bijna uitgewist mijn verleden. (Onderstaande tekst en foto’s zijn integraal overgenomen van stukken, aangeleverd door Dhr. Lauvenberg)

Door Jos Lauvenberg

Inhoudsopgave:

  • Voorwoord
  • Inleiding
  • De plaats van de mijnen in de omgeving
  • Heerlenaren en hun kijk op de mijnen
  • De steenbergen
  • IJsbloemen op de ramen
  • Ondergronds
  • Mijnen Feiten/Weetjes
  • Gedichten van Wiel Oehlen

 

Voorwoord.

“Wie op de dag van vandaag door Heerlen wandelt, ziet géén spoor meer van het mijnverleden. Alsof men zich daarvoor moet schamen. Men heeft de gemeenschap een stuk van haar verleden afgenomen…”
Jo Jamar, Voormalig gemeentearchivaris van Heerlen (´99).

Jo Jamar slaat de spijker op zijn kop. Ik zal uitleggen waarom. De komst van de mijnindustrie – eind 19e eeuw – heeft onmiskenbaar een enorme bijdrage geleverd aan de groei van het dorpse Heerlen tot de stad die het thans is. De mijnindustrie heeft 75 jaar lang werk geboden aan onder meer de beroepsbevolking van wat op enig moment de Oostelijke Mijnstreek (OM) is gaan heten. Het leven van alle dag was doordrenkt van de mijnindustrie. Ons industrieel erfgoed verdiende een beter lot dan totale sloop (een enkele schachtbok verstopt achter de CBS-kantoren daargelaten).
Inmiddels heeft de stichting Carboon een start gemaakt met het oprichten van het Nederlands Mijncentrum. Ik denk dat de activiteiten van deze stichting in een lacune voorzien en hoop dat Heerlen straks beschikt over een fantastisch museum op een historische locatie. Oud collega Wiel Niks heeft hierin een aanzienlijke bijdrage geleverd. Verderop komt hij uitgebreid aan het woord.

Actueel: Buiten het centrum ligt aan de rand van de Brunssumerheide nog een laatste steenberg op Heerlens grondgebied. Het is de steenberg van de voormalige ON IV. De directie van het aangrenzende Sigrano heeft haar begerige oog op het zilverzand onder de steenberg laten vallen en wil de steenberg afgraven. Ik ben benieuwd of het gemeentebestuur van Heerlen bij haar eerder ingenomen besluit blijft om dit monument te behoeden.

Ode aan mijn vader (hij was >25 jaar mijnwerker).

Met het sluiten van de mijnen
zijn de herinneringen niet verdwenen.

Met het verdwijnen van de mijnen
zijn de herinneringen nog niet verdwenen.

Met het heengaan van de kompels
zijn de herinneringen bijna verdwenen.

Jij, mijn kompel,
leeft voort in de mijnen.

Inleiding.

Ik wil proberen een bijdrage te leveren om het mijnverleden te laten herleven. Aan de hand van verzameld materiaal (boeken en foto’s) en herinneringen uit mijn jeugd wil ik proberen een (sfeer-)beeld te schetsen van de mijnstreek rondom Heerlen met een accent op de jaren ’60 en ’70. De schrijvers van de werkjes uit de door mij geraadpleegde bronnen hebben in die tijd hun ogen goed de kost gegeven en zijn er in geslaagd op artistieke wijze hun gedachten aan het papier toe te vertrouwen. Graag laat ik hen aan het woord om diep opgeborgen herinneringen over het mijnverleden te doen herleven. Daarnaast laat ik ook personen aan het woord uit mijn naaste omgeving om te verhalen over hun herinneringen. Verheugd ben ik met de bijdragen van Wiel Oehlen (punaise) en Wiel Niks, voorzitter van de Stichting Carboon. Zover ik kan nagaan heb ik niet gezondigd tegen auteursrechten.
Mocht dat onverhoopt wel zo zijn, wil ik benadrukken dat het schrijven van dit artikel géén commercieel doel dient.

De belangstelling voor het mijnverleden stamt uit mijn jeugd, als het dagelijkse leven doordrenkt is van de mijnen: haarden en fornuizen worden gestookt met kolen en zorgen voor warmte in huis.
Kolenboeren bezorgen de kolen aan huis. Kolenkelders en kolenhokken dienen als opslagplaats voor de brandstof. In iedere woonkamer staat naast de haard een kolenkit. Kolentreinen zorgen met hun vele kolenwagons voor lange wachttijden bij spoorwegovergangen. Roet zorgt voor overlast. Schade aan huizen is schering en inslag door mijnverzakkingen. Aan de horizon heersen de mijnen. Mijn vader is in die tijd mijnwerker op de I en de IV (voor buitenstaanders bij de Oranje-Nassau I en IV). Ons gezin woont in een typische mijnwerkersbuurt: De Maria Christina-wijk ofwel de Hermann Göring-kolonie in de volksmond geheten (de woningen zijn tijdens WO II gebouwd). In de wijk wonen dus veel mijnwerkers en wel van verschillende nationaliteiten getuige de familienamen van Klamerek (25 dienstjaren 8.12.´55, houwer O.N. IV, bron Steenkool 1955) Gromotka (25 dienstjaren 14 april 1952, houwer ON III, bron Steenkool 1952) en Bleimuth, om er enkele te noemen. Als 17-jarige vertoef ik als vakantiewerker een korte periode op de mijnzetel van ON I. De periode is net lang genoeg om een indruk te krijgen van de bovengrondse mijnactiviteiten en iets van de sfeer te proeven.

Omdat ik wil aansluiten bij mijn eigen belevingswereld beperk ik mij tot een afgebakende streek (Heerlen/Hoensbroek/Landgraaf/Brussum) en een afgebakende periode (jaren ´60 en ´70). De mijnzetels uit de streek zijn de Oranje-Nassau mijnen, de staatsmijnen Emma, (Hoensbroek), Hendrik (Brunssum) en Wilhelmina (Terwinselen). Lezer dient te bedenken dat de wereld ongeveer 40 jaren geleden nog een kleine wereld is. Een busrit naar het centrum van Heerlen (LTM lijn 4 en 4A) is nog een uitje. Om niet te blijven steken in het verleden zal ik enkele uitstapjes maken naar het heden. De spaarzame overblijfselen in de omgeving uit het mijntijdperk vormen daarbij aanknopingspunten. De restanten kunnen behulpzaam zijn bij het traceren van de plaatsen waar de mijnzetels ooit gevestigd waren. Voorheen bestond er ook een verbinding tussen een aantal mijnen in de vorm van een mijnspoor, waarlangs de kolentreinen hun bestemming zochten. De mijnspoor route verwijst daarnaar. Het lijkt mij aardig ook de ligging van het mijnspoor nog eens in kaart te brengen.

Uit vergeelde dagbladen

Vrijdag 28 oktober 1983 (rond 16.30 uur) verdween met de explosieve val (drie gewonde politieagenten, vernielingen aan woningen in de Treebeekstraat en een zwaar gehavend gebouw van de Afcentpolitie) van de Emma-schacht III één van de laatste merktekens van de mijnbouw die de horizon hebben bepaald. Van heinde en verre was de schacht te zien en heeft tot dat moment het beeld van de OM beïnvloed.

 

Het einde van een bewogen tijdperk. (Uit Limburgs Dagblad , 65e jaargang nr. 255): “…de Oostelijke Mijnstreek leerde leven zonder mijnen. De mijnterreinen verkleurden (van zwart naar groen) en successievelijk werden de laatste restjes van het verleden opgeruimd. Waar eens de schachtwielen draaiden staan nu moeders in deuropeningen te kijken naar spelende kinderen. Restanten mijnsteen vormen de basis voor een ski-baan of vullen de gaatjes voor een golfbaan. Het werk maken van recreatie moet werk opleveren”.

 

“Ze praten van weemoed bij het omschieten van die toren. Ik voel geen weemoed, want ik weet hoe mijn man en zonen daaronder hebben moeten werken. Ik was blij dat die mijn dichtging, want er was veel ellende door”.

 

De plaats van de mijnen in de omgeving: 

Omdat een beeld nu eenmaal meer zegt dan duizend woorden, maak ik gebruik van enkele opnames uit de periode dat het mijnbedrijf nog volop glorieerde. Ook citeer ik een tweetal auteurs uit de geraadpleegde literatuur.

Ons gezin woont in die periode op de Heksenberg, een van de vele wijken van de gemeente Heerlen. Heksenberg was een mijnwijk, ingesloten door de mijnen. De wijk is gelegen aan de Heerenweg die de verbindingsweg vormt tussen Heerlen (ON I) en Brunssum (Staatsmijn Hendrik). Daarbij had Heksenberg nog een eigen mijn (ON IV) evenals het aangrenzende Heerlerheide (ON III). Even verderop lag op de grens van Heerlen en Hoensbroek de grootste van alle mijnen in de OM, de Staatsmijn Emma.

Mijnzetels domineren de omgeving: denk aan de kolossale steenbergen, de opeenhoping van gebouwen met de meest verschillende functies zoals ketelhuizen, wasserijcomplexen, bad- en kleedlokalen, losvloeren, ventilatorengebouwen en administratiegebouwen vaak achter een ommuurd terrein. De schachtbokken, koeltorens, watertorens en hoge schoorsteenpijpen zijn van ver zichtbaar. Vooral de schoorsteenpijpen Lange Jan en Lange Lies van de ON vormen bakens in de wijde omtrek. In welke richting je ook kijkt aan de horizon dagen de mijnen.

Onderstaande opname illustreert de dominante plaats van de mijnen in de omtrek. De geluiden van de machines, het snorren van het wiel van de schachtbok, het gesis van de koeltorens, de kringelende rook van de schoorsteenpijpen en het komen en gaan van de steenkooltreinen moet je er zelf bij denken.

1

Ansichtkaart met zicht op de Staatsmijn Emma. Collectie JL

 

ON IV. Vanwege zijn ligging aan de rand van de Brunssumerheide op de locatie Heksenberg, neemt de kleinste van de ON-mijnen voor mij een speciale plek in. Om er te komen moet je vanaf de Herenweg (richting Brunssum) rechtsaf slaan de Heigrindelweg op en bij de (mijn)spooroverweg linksaf. De straat heet de Koolkoelenweg. Anders dan sommigen denken is de ON IV een zelfstandige mijnzetel. Wat thans nog rest is de steenberg. Bijzonder is de houten watertoren, waar je het water kunt horen ruisen. Pittoresk vind ik een foto afgedrukt in een mijnblad met op de voorgrond een spar en op de achtergrond de bedrijfsgebouwen. De konijnen huppelen rond, de hei staat in de bloei en terwijl het schachtwiel snort vertrekt de kolentrein. Neen, bovengronds is het zeker géén smerige industrie die de leefomgeving heeft aangetast. Mijnspoor. De kolenmijnen ON I en IV waren met elkaar verbonden door een mijnspoorweg. Voorbij de ONI boog de spoorweg naar rechts door de Husken via de Heerlerheide naar de Heksenberg. Ik herinner mij drie ijzeren spoorbruggen: een over de Schelsberg, een bij de jongensschool van de Heksenberg/Blankenvoort en een over de Heerenweg. De voormalige spoordijk is nog zichtbaar in het landschap aanwezig.

Op verzoek van De Staatsmijnen verleende Bertus Aafjes zijn medewerking aan de uitgave van de (DSM-) kalender van het jaar 1957 met als thema “Schoonheid van de mijnstreek”.

De Staatsmijnen zijn Limburgse mijnen. Zij zijn gelegen in het Zuidlimburgse landschap. Dat landschap verschilt van de rest van het Nederlandse landschap, dat uitmunt door zijn wereldvermaarde vlakheid. Zuid-Limburg echter is een golvend land van heuvels en dalen. Het is dan ook het voor vele Nederlanders het schoonste en meest exotische landschap van Nederland, zij bezoeken het jaarlijks bij tienduizenden en voelen zich als in het buitenland.
Maar het wonderlijkste in dit landschap –of het zomer is of lente, winter of herfst- zijn de reusachtige mijncomplexen op de hoogten in de horizon. Zij doen mij denken aan de stad op de berg uit het evangelie, maar dan in een bijna onbevattelijke, moderne versie. Elke mijn gelijkt een eenmansstad, de stad van een gigant. Of een stad van mierenmensen die tezamen een onbedwingbare, gigantische macht uitmaken. De staatsmijn ”Emma” rijst op aan de horizon als een prachtig maar zakelijk gecomponeerd geheel van hoge schacht, dobbelstenen van gebouwencomplexen en wonderlijke bleke klossen van koeltorens. En boven dat alles uit, als een krampachtig uitgestoten adem, stijgt de rook van de mijn.
En al mag het waar zijn dat de grootscheepse industrialisatie de patriarchale structuur van het landschap en het volk aantast, dat is even onvermijdelijk als de vooruitgang van de wereld zelf. Maar wie eenmaal dit als een onvermijdelijk feit aanvaardt, voor hem zijn de Nederlandse mijnen een triomf van de Nederlandse properheid.
De Limburgse mijnen hebben het Limburgse landschap niet wezenlijk aangetast, zij hebben er veeleer een element van schoonheid aan toegevoegd.
Men ziet een verheven schouwspel wanneer men, op een Limburgse heuveltop rondkijkend, ontwaart hoe natuur en techniek hand in hand samengaan, hoe de woelige zee van het rijpende koren kan aangudsen tot bijna tegen het mijncomplex, hoe de klimroos beeft aan de muur van een helder huis aan de voet van een sintelhoop. Dat zoekt men elders op de wereld tevergeefs.

2

Ansichtkaart van Staatsmijn Hendrik te Brunsum.
Collectie JL

 

Uit: De boom en zijn vruchten Vijftig jaar Staatsmijnen in Limburg, uitgave van mei 1952 bij gelegenheid van vijftig jarig jubileum, door Hendrik Beekman.

“Een boom in de kracht van zijn jaren is het bedrijf van de Staatsmijnen in Limburg. De vergelijking tussen mijn bedrijf en boom is niet gezocht. Steenkool is gevormd uit het tropische oerbos, dat miljoenen jaren geleden onze bodem bedekte. Nu deze geweldige vegetatie is ingekoold en door de mensen wordt losgehakt diep onder de grond, is de boom weer de vriend van de mijnwerker, omdat hij op vele plaatsen het dak stut, waaronder de mensen werken moeten. En als later weer de steenkool langs tientallen bewerkingen herschapen is in kunstmest, dan voedt de steenkool weer de fruitbomen en lijkt de cyclus – van boom tot boom – voltooid”.

 

Kennismaking met Staatsmijn Emma.

 Als kleuter bezoek ik ooms en tantes in de buurt. Ik ga mee achterop vaders brommer. Onderweg naar een oom in Treebeek doemt een gigantisch, lawaaierig complex op. Het sissen en het gedreun gaan door merg en been. Ik houd mijn adem in. Wat ik voor mij zie en hoor maakt mij angstig. Ik ben blij als we dit achter ons laten. Op de terugweg passeert plots op korte afstand een monster dat een hels lawaai maakt. Ik grijp vader stevig vast. Een stoomlocomotief raast aan ons voorbij, terwijl de machinist waarschuwend de stoomfluit hanteert.

Kennismaking met Staatsmijn Hendrik.

 Een volgende keer bezoeken we familie in Brunssum. Oom en tante wonen letterlijk in de schaduw van de Staatsmijn Hendrik. Tegen de achtergrond van dit enorme complex lijken de huizen nietig. Oom heeft in ieder geval géén probleem met zijn woon-werkverkeer.

Heerlenaren en hun kijk op de mijnen.

Boeiend vind ik de kijk van Heerlenaren op de mijnen. Hieronder laat ik een aantal van hen aan het woord:

Ma Lauvenberg noemt de volgende details. Met daagsjiech moet pa vroeg op. Met zijn fiets gaat hij naar de mijn. Pa was kraanmachinist. Zij herinnert zich vooral de op en neer gaande laadbak van de kranen op het mijnterrein, de hopen kolen en het slambassin (bassin voor nat kolengruis). Wat haar voorts is bijgebleven is dat er zoveel gevloekt werd op de mijn. “Ja, ondergronds was het een hel”. Wel was het proper bovengronds. De rijke lui kregen anthraciet om te stoken en de gewone arbeider eierkolen. Pa heeft het echter kunnen regelen dat ze bij ons thuis ook zakken anthraciet bezorgen.

Karin Bettink

woont op de Grasbroekerweg. Desgevraagd herinnert zij zich vooral de roet van de ON I. “Als de wind verkeerd stond moest de was opnieuw”. Het mijncomplex vormt “een machtig gezicht”. Vooral het draaiende vliegwiel van de schachtbok herinnert zij zich, evenals het bord met penningen (dat zij zag bij een bezoek aan de verbandmeester). Op uitnodiging is zij ook een maal onderin geweest. Zij herinnert zich van dit bezoek de lage galerijen en “de regen” onderin, veroorzaakt door het grondwater.

Sjef Bettink

Zijn werkdag begint des morgens om 5.00 uur. Voor het krieken van de dag begint zijn dienst langs de nog slapende Limburgse dorpen om de kompels met de mijnbus op te halen. Tot Deurne, Reuver en Roggel haalt hij gedurende de jaren ´65 tot ´70 de kompels op. Vóór de aanvang van de daagsjiech moeten de slaperige mannen op het mijnterrein zijn (staatsmijn Emma) zijn. Hij herinnert zich nog de bevroren ramen in de bus (type AEC en Lyland), tijdens de wintermaanden. Zelf heeft hij het als chauffeur in de wintertijd ook ijzig koud, doordat de vrieskou door de openingen onder de pedalen opstijgt. Onderweg proberen de mannen nog wat slaap in te halen, voordat de uitputtende mijnarbeid een aanvang neemt. De mijnbussen met bestemming staatsmijn Emma staan op de Passartweg geparkeerd. Voordat hij buschauffeur was, reed hij ondergronds met de persluchtlocomotief door de mijngangen van de staatsmijn Emma. Een traumatische ervaring is hem niet bespaard gebleven. Het was streng verboden voor voetgangers langs het ondergrondse mijnspoor. Een kompel schond die regel en werd gegrepen door de trein die Sjef bestuurde. Het kostte hem zijn leven! Ook onderin de mijn wordt hij geconfronteerd met de elementen in de vorm van onvervalste regenbuien in de vorm van neerplenzend mijnwater.

Marc Haas

groeit op in de Passart. De staatsmijn Emma vormt zijn horizon. Voor hem heeft de mijnzetel iets van een militair complex. “De mijn werd beschermd door een muur” en “Het grasveld voor de ingang van de Emma deed mij denken aan een kazerne”. Bijzondere herinneringen verbindt hij aan de steenberg (“kolenberg”) van de mijn. Hij meent zich kolentreinen (?) te herinneren die hun vracht op de steenberg dumpten. In die tijd leest hij een boek over “het verloren paradijs”. Hij is ervan overtuigd dat het paradijs op de steenberg gezocht moet worden. Hij trotseert afrasteringen en mijnpolitie om op de steenberg naar dat paradijs te zoeken. Blijkbaar hadden zich waterplassen gevormd op de steenberg. Die plassen strelen zijn fantasie. Lag daar het verloren paradijs?

Ma Lauvenberg

noemt de volgende details. Met daagsjiech moet pa vroeg op. Met zijn fiets gaat hij naar de mijn. Pa was kraanmachinist. Zij herinnert zich vooral de op en neer gaande laadbak van de kranen op het mijnterrein, de hopen kolen en het slambassin (bassin voor nat kolengruis). Wat haar voorts is bijgebleven is dat er zoveel gevloekt werd op de mijn. “Ja, ondergronds was het een hel”. Wel was het proper bovengronds. De rijke lui kregen anthraciet om te stoken en de gewone arbeider eierkolen. Pa heeft het echter kunnen regelen dat ze bij ons thuis ook zakken anthraciet bezorgen.

Wiel Niks

werkte vele jaren op de ON1. “Terugdenkend aan de opleidingstijd bij de Mijnbouwkundige vakschool (1958-1960) zie je de ON-1 mijn weer voor je opdoemen. Je gedachten gaan als het ware in vogelvlucht over dat immens grote mijnterrein, dat begon bij het hoofdkantoor, langs de “koelmoer” de Sittarderweg volgend, linksaf de Huskensweg in, voorbij de OVS, helemaal rond de halfbegroeide steenberg met daarin de OVS-leermijn, slingerend voorbij de Vrank tot aan de watertoren en van daaruit langs het NS-spoor en het alom bekende Torentjesgebouw terug naar het hoofdkantoor.
Grote gebouwen domineren dat mijnterrein, met ver daarboven uitstekend de twee reuzenschoorstenen Lange Jan en Lange Lies, geflankeerd door vier altijd witte rookpluimen brakende koeltorens. Daar tussen door zie je snel draaiende schachtwielen, die jaar in jaar uit trouw hun dienst doen, op goede en slechte dagen. En daarbij al die specifieke geluiden. Een imposante kakofonie van licht en geluid. Om nooit te vergeten. In gedachten loop je weer vanuit de fietsenkelder langs de penningcontrole naar de centrale hal en nog verder door naar het badlokaal om je nette pak te verruilen voor de overall, inclusief mijnpet en schoenen met stalen neuzen; je wordt immers opgeleid voor ondergronds, 3 dagen theorie, 2 dagen praktijk. En die praktijkopleiding moet nagenoeg waarheidsgetrouw. Je loopt stage in de Mechanische Werkplaats. Hier leer je vijlen en lassen, het werken van alle soorten werktuigen, de bediening van draai-en freesbanken en boorkolommen. De Elektrische Werkplaats, vlakbij gelegen, waar je vertrouwd wordt gemaakt met ingewikkelde schema´s, transformatoren en schakelkasten. De Smederij, waar de pin van de afbouwhamer gloeiend heet moet worden gemaakt en vervolgens aangepunt; of boorstangen open moeten worden gepeuterd met een ijzerdraad om de waterdoorvoer weer op gang te krijgen. Het Houtlager, vooral in de winter, is de minst geambieerde werkplek. Hier dient het stuthout (soms enorm zware boomstammen) uit de grote wagons omgeladen te worden op lorries en kleine mijnwagentjes. Neen, dan is de Leermijn veel leuker en echter, hier voel je je al een beetje ondergronder. Het is er ook lekker donker en behaaglijk. Het Kolenlab, ook al zo´n voorkeursplek, waar je regelmatig kolenmonsters moet nemen die dan geanalyseerd moeten worden om tot een juiste menging te komen. De Loc.loods, waar je kennis maakt met de ingewikkelde wereld van stoom- en diesellocomotieven. Het Magazijn van Van Zetten (zo heet de baas), waar je leert sjouwen met grote rollen transportband en nauwgezet moet werken volgens de prikklok. De Timmerwerkplaats waar je hakken en schoppen leert insteellen, de Zeverij en Wasserij, waar je stenen moet lezen en transportbanden zuiver houdt. Al die plekken vol historie. 31 December 1974 verlaat je als ondergronds opzichter het mijnbedrijf, na 16 jaar trouwe dienst, zoals dat toen heette. Anno 2003 kijk je terug naar wat ervan is overgebleven. Bitter weinig, té weinig. Een enkele schacht, weggedrukt achteraf op een parkeerterrein, waar je niet mag komen. Daar wil je dan een soort mijnmuseum inrichten, een eerbetoon aan alle oud-mijnwerkers. En dan moet je met een handvol ouwe knakkers knokken om dat laatste restje prachtige mijnverleden te mogen behouden. Waar is onze trots gebleven? “

Wiel Oehlen

werd in 1950 in het toen nog landelijke Ten Esschen geboren, een gehucht aan de rand van de gemeente Voerendaal. Ten Esschen is in zijn jeugd nog een schilderachtig buurtschap, met een handvol huizen, enkele boerderijen, een winkeltje, een slager, natuurlijk een buurtcafé en een Mariakapelletje, een kolenboer en buiten de bebouwde kom een steenhouwerij. ‘Wij woonden aan het einde van een doodlopende weg, in een huisje dat zo klein was dat mijn vader zich moest bukken als hij door de voordeur op weg ging naar zijn mijn, de Oranje Nassau 3 in Heerlerheide’. Wiel ziet zijn vader nog voor dag en dauw naar de Ganzeweide vertrekken, op een zwarte fiets met een flikkerende karbietlamp en met zijn blauw-geruite pungel achter op de bagagedrager. Bij de plaatselijke viersprong sloot hij zich bij zijn kompels aan uit de naburige gehuchten Weustenrade en Retersbeek. Over een onverlichte, met kiezel verharde weg ging het dan in een trage, zwijgende stoet richting de Wijngaardsweg – waar zich hun collega’s uit de Hoensbroekse wijk Nieuw Lotbroek bij hen voegden – en verder, door de nog slapende straten richting Heerlerheide en de hoofdingang van de ON 3. Het was in de jaren vijftig tijdens het ochtendgloren al druk op de Ganzeweide. Eindeloze rijen fietsers reden er af en aan. Elektrische trams hielden er halt voor de mijnwerkers uit Geleen, Sittard en verder. De daagsjiech loste de nachtsjiech af.
In die tijd werkten in Heerlerheide duizenden mijnwerkers; vele honderden bovengronds, maar de meesten diep onder de grond in een van de zes verdiepingen op 225, 318, 420, 545, 700 en 825 meter. Gebukt of meestal op de knieën zwoegden zij daar een eindeloze sjiech lang in vochtige gangen van tachtig centimeter of minder. De Limburgse mijnen waren na de Tweede Wereldoorlog een van de belangrijkste motoren van de Nederlandse economie. Mede dankzij het zwarte goud is Nederland er tijdens de wederopbouw weer zo relatief snel bovenop gekomen. Maar daar moest dan ook alles voor wijken. Wiel herinnert zich dat er regelmatig zelfs op de zondag moest worden doorgewerkt. Zijn vader was een streng gelovig man. ‘Dus hij heeft daarvoor nog de toestemming gevraagd van mijnheer pastoor. En gekregen, want voor het landsbelang moest toen alles wijken. In de daaropvolgende week ging hij dan altijd – zo gauw het mogelijk was – een keer vaker naar de kerk’. Wiel vervolgt: ‘Thuis werd overigens amper over de mijn gepraat. Achteraf vind ik dat jammer, ook al kan ik mij het wel voorstellen. Als mijn vader, met zwart omrande ogen, bekaf thuis kwam ging hij direct naar bed. Als hij nachtsjiech had gehad, liepen wij als kinderen altijd op kousenvoeten door het huis, bang als wij waren hem te wekken’. Vijftig jaar later is het opnieuw druk op de Ganzeweide. Auto’s rijden er af en aan. Een bus raast voorbij. Zelfs de fietsers hebben er haast. Maar niets herinnert meer aan de mijntijd. Alleen enkele straatnamen van een dicht bevolkte woonwijk lijken nog naar het zwarte goud te verwijzen. Maar het ‘Ammonieterf’ en het ‘Fossielenerf’ doen eerder aan moderne nieuwbouw in Almere denken. Op de plek van de hoofdingang van de ON 3 leidt een straatje naar een woonerf. Een kind wacht angstig op de stoep. Het durft de drukke Ganzeweide niet over te steken. De bedrijvigheid raast ononderbroken voorbij. Een oude man staat met zijn rug naar het voormalige mijnterrein. Hij biedt het kind een hand en helpt het de straat over.

Dan mijn eigen herinneringen als “mijnwerker”.

Op voorspraak van mijn pa mag ik enkele weken een zakcentje verdienen als vakantiewerker bij de ON 1. We schrijven 1971. Ik herinner mij een uitgebreide medische keuring vooraleer ik mag beginnen. Voor het aanvangen van de 1e sjiech moet ik mij omkleden in het badlokaal. Omdat ik de eerste werkdag wat later mag beginnen ben ik alleen. Ietwat beducht kijk naar het enorme plafond waar alle kleren hangen, bevestigd aan kettingen. Uiteraard heb ik ook mijn kloffie opgetakeld. Mijn eerste klus bestaat uit het nemen van kolenmonsters. Hiertoe moet ik een partij kolen uit gereedstaande wagons verzamelen. Een kind doet de was. Toch ben ik niet helemaal gerust op een rangerende locomotief die in de buurt bedrijvig is. Ik vraag mijn begeleider kompel op te letten en mij te waarschuwen als de locomotief in de buurt komt van de rij wagons waar ik op dat moment kolen aan het vergaren ben. Dat zal hij doen. Net op het moment dat ik mij omhoog hijs aan een van de wagons, stoot de locomotief tegen de wagons. Ik weet mij op het nippertje vast te klampen zodat ik naar beneden val. Ik heb mijn begeleider zeer bedankt! Mijn taak is allesbehalve dagvullend zodat ik de ruimschoots de gelegenheid heb eens rond te kijken. Zo kom ik ook op een plaats waar een kompel met ongebluste kalk aan het werk is. Ik besluit hem een handje te helpen. Dat houd ik niet lang vol. Ik stik zowat door een gebrek aan zuurstof. De dienstdoende kompel is duidelijk gewend aan de adembenemende dampen. Ook herinner ik mij de enorme schoorsteenpijpen. Ze lijken eens zo groot als je aan de voet staat van die kolossen. Dan krijg ik een serieuze klus: assisteren bij het laden van kolenwagons. Ik bedien bij de kolenverlading meerdere apparaten en moet erop toezien dat verschillende rijen wagons zonder uitzondering beladen worden. Aan een ervaren kompel vraag ik of hij mij wil waarschuwen als ik moet switchen. Ik kom bedrogen uit, als hij schamper opmerkt dat ik een wagon gemist heb! Nog steeds zie al die blote kompels voor me, bij het douchen na de sjiech! Maar ook dat beeld wende snel.

Hub Vogt

groeit op in de Kakert. Hij herinnert zich vooral de beroete vensterbanken. Vanuit zijn straat heeft hij een mooi panoramisch uitzicht over de ON I. De silhouet van de mijn bepaalt de horizon .”Ik ben er mee opgegroeid”. Bij het slopen van het mijncomplex resteert leegte. Het vertrouwde baken is weg!

Harry Srech

brengt zijn jeugd door in Hoensbroek op een steenworp afstand van de staatsmijn Emma. Het mijnspoor ligt op korte afstand van zijn ouderlijk huis. Zo´n twintig meter voor het huis schat hij. Blijkbaar hadden buurtgenoten een deal gesloten met de machinisten van de kolentreinen. Met de stoomfluit kondigen zij hun komst aan om vervolgens stevig te remmen. Doordat de wagons tegen elkaar botsten gingen heel wat kolen over de rand van de wagons. Die werden gretig geraapt door Harry en zijn maatjes. Van tijd tot tijd ontvingen de machinisten een sigaar ter beloning.

De steenbergen:

Iedere mijnzetel heeft zijn eigen steenberg. Buitenstaanders zagen en zien er een kolenberg in. Wie vandaag de steenberg van de Wilhelmina beklimt (of wat daar van over is) en naar het oosten kijk ziet op Duits grondgebied een vulkaanlandschap. Die vulkanen zijn niets meer of minder dan …steenbergen!
De steenbergen van de Limburgse mijnen mochten er zijn, maar hebben nimmer de omvang van de vulkanen van de buren aangenomen.

Bernard Beekman zag in 1952 de steenberg van de Staatsmijn Wilhelmina. Hij omschrijft de berg als volgt:
“Nu reist groots en bijna dreigend die geweldige steenberg van Staatsmijn Wilhelmina voor ons op, die het gehele mijndorp Terwinselen beheerst. Het is eigenlijk een gehele groep steenbergen, die met de jaren van uiterlijk veranderen, naargelang de stort verlegd wordt, hier puntig als een rotspiek, daar afgerond als de rug van een olifant. Deze industriepiramide is in vijfenveertig jaar tijds opgebouwd uit de waardeloze steenafval, die tegelijk met de kolen naar boven kwam. En wanner men zich nu realiseert, dat de waardevolle antraciet, die in dezelfde periode gewonnen werd, een veelvoud is van deze steen, dan moet men erkennen, dat het de verbeelding te boven gaat, hoe dit alles door mensenhand werd bewerkstelligd. Men verbaast zich erover, dat er geen geweldige krater aan uw voet gaapt, waaruit al deze schatten der aarde werden gewonnen. En wanneer laat in de avond de honderden lampen beginnen te gloeien boven de steenberg en een rozenkrans van lichten aftekenen tegen de sterrenhemel, dan zoudt ge door de steenberg de mijn vergeten, die dit alles door de smalle hals der schacht naar boven trok”.

Met die steenbergen was nog iets bijzonders aan de hand. Om dat uit te leggen bedien ik mij van een volgende DSM-kalender. Het thema van 1962 heet “Het Stenen Bloembed”.

Ik citeer:
…op een dag komt er een gast in onze Limburgse mijnstreek. Hij heeft nooit van carboon gehoord, hij weet niet wat steenkool is en hij weet nog minder wat een steenberg is. En hij zegt: “Wat een hoge bergen kolen hebben jullie hier!” En wij? Wij bespeuren dat gevoel van triomf dat slechts de ingewijde kent. En wij antwoorden onze gast achteloos: “Het is wel duidelijk dat u nooit in de mijnstreek geweest bent. Dat zijn geen kolen, dat zijn stenen”. En vervolgens vertellen wij weer dat oude verhaal over carboon, over planten uit vergane eeuwen en wij rapen nonchalant een stuk steen op, splitsen het op een andere steen en tonen onze gast de afdrukken van varens uit het jaar 300.001.962 voor Christus.

“Waar komen de planten, die heesters, die bomen vandaan die aan de voet en tegen de helling van uw steenberg groeien?” zegt hij langzaam. Maar wij zijn niet voor een berg gevangen. Wij kennen nog steeds de oplossing.
“Weet U,” zeggen wij, “die puinhopen –want dat zijn onze steenbergen- ontsierden eigenlijk ons fraaie landschap. Wij hadden al vaak met misnoegen gekeken naar de troosteloze woestenijen rondom de mijnen in andere landen. En wij vonden dat daar iets aan gedaan moest worden.
Nu hebben wij een plantkundige dienst. Knappe vaklieden begonnen met onze steenbergen te experimenteren. Zij plantten pionierhout op de stenen aan. Het groeide! Weer later plantten we nutsbossen, eiken bijvoorbeeld. En ze groeiden!
“Op de stenen?”, vraagt onze gast. Ik dacht dat er op stenen niets groeide.”
“Zeker op stenen!”, antwoorden wij trots als of wij eigenhandig berk en els, populier en eik hebben uitgepoot. “Wij hebben bewezen dat het kan. Ziet u, dit experiment was uniek in Europa. Nergens anders treft u een steenberg aan op de top waarvan een jong eikenbos staat waarin de reeën ronddartelen.”
Wij zijn heel tevreden, wij hebben het raadsel opgelost, wij hebben alle antwoorden gegeven die wij kenden. Doch onze gast is een hardnekkig man. Nu wil hij met ons de steenberg op. Wij raden het hem af. Wij zeggen dat het verboden is. Maar we gaan toch.
“Ziet u dat?” roept hij ineens uit. “Loogkruid! Hoe komt dat hier? Hebt u dat soms ook aangeplant?”
Wij vermoeden onze nederlaag reeds. Wij schudden berustend ons hoofd.
“Neen, dat Loogkruid groeit hier zomaar. Misschien door het zout in het gesteente.”
Hij kijkt ons aan.
“Nu ja,” zeggen wij, “het is in ieder geval een raadsel.”
Onze gast ontdekt nog veel meer. Hij vindt Moeras-andijvie, hij bukt zich verrukt over een kleine Akkelei, hij staart verliefd naar de Wilde Reseda, hij houdt zijn pas in bij het Breukkruid. Akkerwinde, Hondsroos, Vlasleeuwebek, Slangenkruid. En de laatste naam herinnert ons aan de tuin van Eden…
Zo trekken wij voort, samen, hij in de wolken, wij met de voeten in het carboongesteente. Smeerwortel, Wouw en Wilgenroosje, Pastenaak, Barbarakruid, Blaassilene, een ramp!

Tot zover het (ingekorte) citaat. Het zal u duidelijk zijn, dat onze verteller door de vragen van de gast met zijn neus op de feiten wordt gedrukt: dat het gesteende bloeit, is zo logisch nog niet. Onze gast heeft nog een tip: “Leest u maar een werkelijk oud boek.” Dat oude boek bevat een vingerwijzing: …Mijn hand doet het…

Bij gelegenheid van de omschakeling van zwart naar groen zijn de steenbergen afgegraven of zodanig bewerkt dat er weinig meer van over is. Uitzondering vormt -op Heerlens bodem- de steenberg van de voormalige ON IV. Ik hoop van harte dat dit monument behouden blijft als eerbetoon aan de mannen die het zwarte goud dolven. “En de steenberg van de voormalige Staatsmijn Wilhelmina?”, hoor ik u denken. Met de aanleg van Snowworld is deze berg danig verminkt. Van mij hadden ze ook monument onaangetast mogen laten

IJsbloemen op de ramen.

Nog even een persoonlijke herinnering. Des winters is het nog koud in de jaren zestig. Ons ouderlijk huis ligt in een typische mijnwerkersbuurt aan de Elandstraat op de Heksenberg. Ik slaap op een zolderkamer met uitzicht op de Brunssumerheide. De haard in de woonkamer en het fornuis in de keuken zijn ingedommeld. Verder dan de benedenverdieping reikt de warmte niet. IJsbloemen op de ramen van de bovenverdiepingen belemmeren het zicht naar buiten.

Op de slaapkamer van mijn ouders verstoren rinkelende bellen van de wekker wreed de serene rust omstreeks 5.00 uur. Pa staat op en maakt zich op voor zijn gang naar de mijn. Hij heeft “daagsjiech”. In de stal achter het huis wacht zijn brommer geduldig op zijn komst. Voordat hij vertrekt port hij nog even in haard met de mica raampjes en het keukenfornuis om het vuur tot leven te wekken. Om de vlammen te voeden schudt hij met de kit kolen bij: anthraciet in de haard, eierkolen in het fornuis. Op weg naar de stal kraakt de sneeuw onder zijn voeten. De bevroren staketsels van de groentetuin sidderen in het licht van de sterren.

De somber ogende Italiaanse populieren in de achtertuin keuren hem vanuit de hoogte geen blik waardig. De kippen hebben de ren gelaten voor wat hij is en kijken hem verstoord aan als hij de staldeur opent. Het konijn graaft zich dieper in de stro in. Pa bevestigt zijn pungel achterop en vertrekt door de venijnige ochtendkou naar de koel. De pungel is een geknoopte blauw geruite handdoek en bevat zijn blauwe werkoverall, zijn boterhammen voor de dag en een blik thee. Pa werkt op de IV. Rond 5.30 uur betreden de kompels slaapdronken het mijnterrein. Terwijl de meeste kompels met de liftkooi in razende vaart via de schacht in moeder aarde verdwijnen, zoekt pa op het mijnterrein zijn kraan op. Hij is bovengronds kraanmachinist in die dagen. Tijdens de sjiech laadt hij slam en kolen in wagons. Zijn vriend Frits is zijn naaste kompel. Kostbare herinnering is een foto (hiernaast) die beiden tijdens het werk toont.

3

 

4

 

Vorenstaande foto toont de ingang van ON IV.

Ondergronds

Vooropgesteld: ik was nooit ondergronds. Toch wil ik mijzelf een beeld vormen hoe het daar is toegegaan. Zeer onlangs in 2006 heb ik in de liftkooi gestaan waar mogelijk mijn vader 66 jaren geleden ook heeft gestaan. Dit met dank aan mijn oud collega Wiel Niks, voorzitter van de Stichting CarboON. In dit artikel probeer ik in de huid van mijn vader te kruipen op de 10 mei 1940. Waarom specifiek deze datum? Welnu, ik heb hem eens de vraag gesteld waar hij was op de 10e mei 1940. Op deze dag vielen de Duitsers Nederland binnen. Het antwoord was verbijsterend. Hij werkte als houwer op de Oranje Nassau Mijn 1 te Heerlen. Hij had nachtsjiech. Toen zijn sjiech erop zat en hij bovengronds kwam, was Heerlen al bezet. “Ze hadden niet de moeite genomen ons te waarschuwen!” Met behulp van geraadpleegde literatuur wil ik reconstrueren hoe hij die sjiech er uit moet hebben gezien.

De zwaardere, gevaarlijker en voor de buitenstaander meest “raadselachtige” mijnarbeid speelt zich onder de grond af. In de loop van de tientallen jaren zijn ware ondergrondse steden gebouwd, compleet met verbindingswegen.Treinen zorgen voor het ondergrondse kolen- en personenvervoer.

Het werken in de ondergrondse mijn kan – in beeldspraak – geschetst worden als het voeren van strijd tegen de elementen der natuur, de zwaartekracht, de duisternis, de loerende kracht der weerbarstige aarde (in mijnwerkersjargon “Kasper”). Met behulp van hout, ijzer, perslucht, elektriciteit, ventilatielucht en gereedschappen (het menselijk vernuft) wordt de strijd tegen de natuurkrachten aangeboden. Samengevat: “Kasper tegen het menselijk vernuft”. Het hoeft géén betoog dat het werk zwaar en niet zonder gevaar was (getuige de dodelijke ongevallen, ondanks de strenge veiligheidsvoorschriften). Voorzichtigheid was dus geboden.

Filmbeelden die ik op het netvlies heb, tonen de patriarchale mijnarbeid in de jaren ´20. Ik sluit niet uit dat ook vele anderen uitsluitend die beelden kennen. Video´s over de mijnarbeid tonen namelijk bij uitstek die ouderwetse beelden. Toen mijn vader op die donderdag 9 mie 1940 zijn sjiech begon was er door de vooruitgang al heel wat verbeterd. Die sjiech moet ongeveer het volgende verloop hebben gehad.

Aangekomen op de mijn, stalt pa zijn fiets in de rijwielloods en loopt vervolgens naar de portiersloge om zijn penning (met ingegraveerd mannummer) op te halen. De penning was het toegangsbewijs om in de mijn te mogen afdalen. In het kleedlokaal zweven zijn mijnkleren bevestigt aan een haak in de lucht. Hij maakt het slot los en laat de ketting vieren: hemd, broek, schoenen en helm komen omlaag. Na zich te hebben omgekleed takelt hij zijn burgerkloffie omhoog. Op weg naar de schacht (de slagader van het mijnbedrijf) haalt hij een acculamp op.

De liftkooi wacht. De ophaalmachinist in het ophaalgebouw doet zijn werk feilloos. Het enorme vliegwiel snort en via de vuistdikke kabel daalt de liftkooi (4 verdiepingen) met een snelheid van 12 meter per seconde af in moeder aarde op weg naar de verdieping van bestemming. Daar aangekomen wacht de penningcontroleur de kompels op en staat de tocht naar de kop van de pijler op het programma. De ondergrondse trein vervoert de kompels naar de kop van de peiler.
Op zijn werkplek liggen afbouwhamer en schop gereed. Alvorens aan het werk te gaan neemt hij snel een slok thee. In tirailleurslinie start het gevecht om de steenkool.

De ratelende door perslucht aangedreven pneumatische afbouwhamers veroorzaken een oorverdovende herrie.

Het volgende beeld komt op: Aan het kolenfront strijden gespierde mannen met zwarte gezichten. Hun kleding bestaat uit schoenen met beschermende ijzeren neuzen, een stevige werkbroek, een onderhemd zonder mouwen, grote beschermende handschoenen en een mijnhelm met koplamp.
De houwer hanteert afwisselend de met perslucht aangedreven pneumatische afbouwhamer en een kolenschop. Met de pneumatische hamer gaan de kompels de kolenwand te lijf. Ervaren als ze zijn zoeken zij de plaats van de minste weerstand doelbewust op en profiteert hij van de druk die op de kool staat zodat grote hoeveelheden steenkool ineens losbreken. De kolen worden op de transportband geschept.

Het zweet loopt de kompels over de rug en verft donkere plekken in het hemd, dat de gespierde armen vrijlaat. Kolenstof kleurt de huid zwart.

Gelukkig voor de arbeiders in die tijd, zijn de houweel, de kleine benzinelamp en het handtransport van kolen in de pijler – zoals te zien op de oude filmbeelden – vervangen door de pneumatische hamer, elektrische pijlerverlichting en schutgoot. Het mijnpaard werd tot 1938 gebruikt om de kolenwagens naar de schacht te trekken. Het houten ondersteuningsmateriaal om het dak en de wanden te stutten zal wel nog gebruikt zijn. De inschuifbare ijzeren stempel stond eraan te komen.

Het geratel van de afbouwhamers valt stil als de kompels aan de slag gaan om het dak verder te steunen. Hiertoe worden de houten stutten gebruikt die langs de transportband worden aangevoerd. Ook wordt het werk onderbroken om een boterham te verorberen en de droge keel te smeren met een slok van het meegebrachte drinken: koffie/thee. Niet voor lang echter, afgaande op het herlevende geluid van de afbouwhamers. Aan het eind van de sjiech zoeken de mannen, zwart, vuil, bezweet en vermoeid de liftkoker weer op. Alvorens naar boven terug te keren eerst de penning nog ophalen. Als alle penningen zijn opgehaald bij de penningcontroleur is het zeker dat niemand onderin is achtergebleven. De werkdag eindigt in het badlokaal. Onder de honderden warme stortbaden spoelt het vuil en zweet van de lichamen. De kompels staan bekend als (Sunlight-) zeepverbruikers in het groot. De vermoeidheid lijkt door het warme water uit de spieren weggemasseerd te worden.

Mijnen Feiten/Weetjes.

Waar kwamen de namen van onze mijnen vandaan?

Zowel voor de Staatsmijnzetels, als voor de Oranje-Nassau Mijnen, is de richting waarin de namen gezocht moeten worden duidelijk. Namen als Oranje-Nassau (1898), Wilhelmina (1906), Emma (1913) en Hendrik (1916) zijn wat afkomst betreft, zonder nadere toelichting direct herkenbaar: ons vorstenhuis.

Hoe noemden onze streekbewoners de Mijnen? De Staatsmijnen hebben de verzamelnaam “D´r Sjtaat” gekregen en vrijwel gehouden. Meer in het bijzonder doelde men dan ook op de oudste Staatsmijn “De Willemien”. De mijn Emma heeft zover bekend géén ander benaming gekend. De Staatsmijn Hendrik is weleens naar haar bouwstijl “De boerderij” genoemd.
De Oranje-Nassau mijnen:
De lange naam van de 4 zetels verkortte men door de mijnen te noemen “De I” – “De II” –enz. Ook “De Oranje I” enz.
De ON I is nog lang “Hélesje Koel” genoemd.
De ON II noemde men in het begin “De Carl” (de eerste concessienaam). Voorts “De Sjeeter Koel” of “Op genne Sjeet”
De ON III heet ter plaatse wel “Op gen Hei”.
De ON IV “Op d´r Heksenberg”.

Tabel 1:

Naam Bijnaam Ligging In productie Sluiting
ON I Hélesche Koel Heerlen 1898 1974
ON II Carl/De Sjeeter Koel Landgraaf 1904 1971
ON III Op gen Hei Heerleheide 1914 1973
ON IV Op d’r Heksenberg Heksenberg 1927 1967 (ONIII)
St. Wilhelmina Willemien Terwinselen/K. 1906 1969
St. Emma Emma Hoensbroek/H. 1912 1973
St. Hendrik De Boerderij Brunssum 1917 1964 samen met Emma sluiting 1973

Tabel 2:

Naam Verdiepingen Schachten Max. productie Max. Ogr. Wn. Max. Begr. Wn.
ON I 120,136,166,210,250,340 en 420 meter 3 691.000 ton in 1965 1.602 in 1924 2.047 in 1964
ON II 163,210,225,260,320,360,390 en 430 meter 2 782.000 ton in 1937 1.465 in 1931  571 in 1951
ON III 225,318,420,545,700 en 825 meter 1 2.015.000 ton in 1937 1.022 in 1937
ON IV 240,340,420 en 545 meter 1 505.000 ton in 1937 1.187 in 1931
Wilhelmina 142,162,253,331,420,506 en 785 meter 2 1.438.000 ton in 1937 3.201 in 1958 1.630 in 1958
Emma 259,325,410,546,700, en 860 meter 4 2.601.000 ton in 1961 6.443 in 1957 3.668 in 1954
Hendrik 183,272,316,401,537,636,730,855 en 1.008 meter 4 1.833.000 ton in 1932 3.908 in 1927 2.075 in 1954

Wat deze cijfers leren?
Emma is de grootste mijnzetel gezien de productie en bezetting;
ON IV is mijnzetel is de kleinste mijnzetel;
Hendrik is de diepste (gevaarlijkste ?) mijn;
Het hoogtepunt in bezetting/productie ligt in 1961: Emma met >10.000 werknemers (ervan uitgaande dat de bezetting van ´54 en ´57 niet in de tussenliggende gedaald is).

Mijnen continue in bedrijf. De arbeiders werden in 3 diensten/sjiechten ingezet:

Dagdienst 6.00 u 14.00 u
Middagdienst 14.00 u 22.00 u
Nachtdienst 22.00 u 6.00 u

Waar de steenkool vandaan komt.

Voor het beantwoorden van de vraag waar de steenkool vandaan komt moeten we bij de geoloog zijn. Hij zal ons vertellen dat er miljoenen jaren geleden (±25) een tijdperk is geweest dat het huidige Limburgse land werd overspoeld door een grote zee. In die zee leefden schaaldieren. In de loop van vele duizenden jaren vormde zich op de bodem van die zee een enorm kerkhof van al dit zeegedierte (schelpdieren en koralen). De stijgende laag maakte de ondieper en het water trok zich op den duur terug. De ondoordringbare laag van afgestorven schelpdieren heet tegenwoordig het Onderste Carboon. Nu was er nog iets aan de hand: de aarde ademde als het ware. Bij het uitademen daalde de aardkorst en bij het inademen steeg de aardkost. Dit ritme zorgde ervoor dat de zee bezit nam van het land, respectievelijk het water verdreef. Het komen en gaan van het zeewater zorgde in combinatie met de toen hier heersende tropische temperaturen voor een moerasachtige bodem waar enorme varens, schub- en zegelbomen groeiden en verdronken. Een laag steenkool is niets anders dan een verdronken oerbos, waar onder druk van de bovenlaag de planten omgevormd zijn tot steenkool: Boven Carboon. De bewijzen hiervoor zijn de afdrukken van met name varens, die je tot voor kort moeiteloos kon vinden op de steenbergen. Het proces van steenkoolvorming heeft miljoenen jaren geduurd. Uit de 74 verschillende lagen steenkool blijkt dat de ademhaling van de aarde een cyclisch proces is geweest. Interessant is te weten dat voor een koollaag Van één meter dikte een twintigvoudig dikke plantenmassa of humuslaag nodig was. Het is niet gebleven bij een ritmische ongestoorde ademhaling van de aarde. Natuurkrachten hebben veroorzaakt dat er breuken zijn ontstaan in de aardlagen, hetgeen de winning van de steenkool heeft bemoeilijkt (uitgaande van toegankelijke horizontale steenkoollagen).
Tussentijds voerden rivieren ook nog klei en zand aan, waardoor dan tevens verklaard is dat niet alle steenkoollagen naadloos op elkaar aansluiten.

Uit: “De Voorgeschreven route” gedichten van Wiel Oehlen, gepubliceerd in 1989

1.
De lucht die hij als lucht inademde,
Zeiden zij, ademde hij als gruis uit

´s Nachts

Wij sliepen daar slecht van
Maar leefden goed zo, dankzij hem
En in het “besef” dat het lucht was
En werken gezond

2.
Mijn mijn rookte
Zware mannen
Die opgerookt nu
Thuis zitten
Achter een asbak
As morsen, hoesten

Door de kamer vliegt as

3.
Dressuur in de koel
Werken als een paard
Op het klappen van de zweep
Werken mannen in het zweet

Uit: Steenkool, januari 1955
De avond valt snel en met duizenden twinkelen de sterren over Nieuwenhagen. Ginds naar het oosten rijst de verlichte schacht II van de Laura omhoog uit het dal van de Strijthagerbeek. Wat verder naar het zuiden ligt de Julia te baden in een zee van trillende lichtjes. De lucht zit vol van geluiden. Het lijkt alsof er onweer op komst is, maar een blik naar de hemel doet dit vermoeden spoedig verwerpen. Onweer? Wanneer men aandachtig luistert, hoort men dat het gerommel, dat aan onweer doet denken, een mengeling is van voor een mijnstreek bekende geluiden. Gezoem van motoren, gebots van steenwagens. “Hij moet nu vlug komen”, zegt moeder Smeets. “Ik hoor geen lawaai meer op de wasserij en op de zeverij.” Na een blik op de klok dekt zij de tafel.